Priester Pradip

Verlangen naar God

Bij de 1e zondag in de veertigdagentijd (C-cyclus)

De woestijnvaders waren kluizenaars die in complete afzondering
hun hele leven inrichtten naar het Godsverlangen.
Het verlangen naar God als een oefening om los te komen
van eigen verlangens en begeerten.
De heilige Silouan de Athoniet (1866-1938) was een monnik
die een groot deel van zijn leven
op de berg Athos in Griekenland doorbracht.
Hij kreeg deze opdracht van Christus via een visioen:
‘Houd uw geest in de hel en wanhoop niet.’
Christus vroeg aan de monnik om dus staande te blijven
in alle bekoringen en beproevingen van de duivel.

Bij wijze van bezinning in deze vastentijd, woestijntijd,
lees ik jullie de ‘Klaagzang van Adam’ voor,
opgeschreven door de heilige Silouan de Athoniet:

Adam, de vader van de hele mensheid, kende in het paradijs
de zoetheid van de liefde van God en daarom leed hij bitter,
toen hij vanwege zijn zonde uit het paradijs verdreven werd,
en hij de liefde van God verloren had
en zijn weeklagen weerklonk overal in de woestenij.
Zijn ziel werd gekweld door de gedachte:
‘Ik heb mijn geliefde God verdriet gedaan’.

Hij verlangde niet zozeer naar het paradijs en de schoonheid daarvan,
hij treurde om het verlies van de liefde van God
die de ziel onafgebroken krachtig naar zich toe trekt.

Iedere ziel die God leert kennen door de Heilige Geest,
maar vervolgens die genade weer verliest,
wordt op dezelfde manier als Adam gekweld.
Er is pijn en diep berouw in de ziel
die haar geliefde God verdriet heeft gedaan.

Op de aarde had Adam heimwee en hij huilde bittere tranen
en de aarde gaf hem geen vreugde meer.
Hij verlangde naar God en hij zei:
‘Mijn ziel verlangt naar God en in tranen zoek ik Hem.
Hoe zou ik niet naar Hem zoeken?
Toen ik bij Hem was, was mijn hart vrolijk en gerust,
en de duivel had geen toegang tot mij,
maar nu heeft de geest van het kwaad macht over mij gekregen
en hij valt mijn ziel lastig en kwelt haar
en daarom verlangt mijn ziel naar de liefde van God,
ten dode toe en mijn geest strekt zich reikhalzend uit naar God
en er is niets op aarde dat mij vreugde kan geven
en mijn ziel wil zich niet laten troosten,
maar wil Hem weerzien en zich aan Hem verzadigen.

Ik kan God geen moment vergeten
en mijn ziel verlangt naar Hem
en vanuit de volheid van mijn lijden verhef ik mijn stem en roep:
‘Wees mij genadig, o God, ontferm U over uw gevallen schepsel.’’

Zo weeklaagde Adam en de tranen stroomden over zijn gezicht,
over zijn borst en op de grond
en de hele woestijn luisterde naar zijn jammerklacht;
de dieren en de vogels verstomden van verdriet
terwijl Adam weeklaagde, dat vanwege zijn zonde
alle vrede en liefde verloren waren gegaan.

Groot was het verdriet van Adam
toen hij werd verdreven uit het paradijs,
maar toen hij zag dat zijn zoon Abel gedood was door Kaïn,
zijn broeder, verdiepte zijn smart zich nog meer
en zijn ziel was gekweld en hij weende en dacht:
‘Uit mij zullen volkeren voortkomen en zich vermenigvuldigen,
maar allemaal zullen ze lijden en in vijandschap leven en elkaar doden.’

En zijn verdriet was zo onmetelijk groot als de zee
en alleen diegene, die God kent
en weet hoezeer Hij ons liefheeft, kan hem begrijpen.

Ook ik heb de genade verloren en met Adam roep ik:
‘Wees mij genadig, o God.
Verleen mij een geest van nederigheid en liefde.’